Beeldhouwwerk Michelangelo
Michelangelo gaf richting aan de hoge renaissance en het maniërisme (late renaissance). Ook daarna bleek zijn kunst een inspirerend en richtinggevend voorbeeld voor anderen. De veelzijdige kunstenaar manifesteerde zich als beeldhouwer, architect, schilder en dichter.
Gedurende het grootste deel van zijn kunstenaarschap beschouwde hij de sculptuur als de belangrijkste visuele kunstvorm. Zijn gedrevenheid om uit blokken marmer menselijke gestalten te houwen was bijzonder groot.
Michelangelo leerde beeldhouwen aan het de’Medici hof bij Bertoldo di Giovanni. Beeldhouwwerken uit de oudheid, vooral hellenistische, beïnvloedden zijn werk. Hij ontwikkelde een zeer persoonlijke stijl. Vaak suggereerde hij een contrast tussen geest en lichaam. Dit bewerkstelligde hij door het lichaam in rusttoestand weer te geven, terwijl het tegelijkertijd bezield schijnt door een krachtige innerlijke bewogenheid.
Van 1496 tot 1501 was Michelangelo in Rome. Zijn beroemde Piëta in de Sint-Pieter kwam in 1498 tot stand. Dit beeldhouwwerk leverde hem veel bewondering op. Terug in Florence kapte hij de kolossale David uit één meer dan vijf meter hoog stuk marmer. Het beeld werd in 1504, na drie jaar arbeid, geplaatst aan de hoofdingang van Palazzo Vecchio. Dankzij dit kolossale meesterwerk werd Michelangelo’s reputatie als geniale beeldhouwer bevestigd.

Mozes, S. Pietro in Vincoli, Rome
In 1505 vroeg Julius II aan Michelangelo om zijn grafmonument te ontwerpen. Aanvankelijk betrof het een zeer groot project waarin de geniale kunstenaar sculpturen kon verenigen met architectonische elementen. Deze opdracht greep hem erg aan. De paus bewoog hem echter de Sixtijnse kapel van plafondschilderingen te voorzien. Toen Julius II in 1513 stierf was slechts een klein deel van het project gerealiseerd.
De uitvoering van het grafmonument voor Julius II verliep moeizaam. Eerst vroeg Julius II meerdere malen om een nieuw ontwerp, daarna zijn erven. In de opeenvolgende ontwerpen moest Michelangelo zijn grootse plannen reduceren. Nadat het project meerdere malen stil werd gelegd volgde de voltooiing in 1545. Het grafmonument werd tegen een muur in de San Pietro in Vincoli geplaats, de kardinaalskerk van Julius II. Oorspronkelijk was echter een kolossaal vrijstaand monument in de Sint-Pieter voorzien. De aanvankelijk geplande beelden van slaven werden achterwege gelaten in het definitieve ontwerp. Twee tot de verbeelding sprekende slaven zijn te zien in het Louvre. De slaven symboliseerden mogelijk de schone kunsten die lijden onder de dood van Julius II. Ze werden echter ook geïnterpreteerd als de gebieden die de paus veroverde. Het monumentale en indringende Mozes-beeld bleef wel deel uitmaken van het grafmonument. Het domineert de andere beelden.
Leo X (1513-1521), een Medici-paus, gaf opdracht tot de Medici-kapel in Florence. Michelangelo had de architecturale vormgeving en de sculptuur op elkaar afgestemd. In 1534, het jaar waarin paus Clemens VII aantrad, kwam een einde aan Michelangelo’s werkzaamheden in Florence. Hij ging terug naar Rome en verbleef daar tot zijn dood.

Piëta Rondanini, 1550, circa 226 hoog, Museo dell’Opera del Duomo, florence
Rond 1550 werd de beeldende kunst van Michelangelo minder gewaardeerd en door velen zelfs vergruisd. Veranderde religieuze opvattingen lagen daaraan ten grondslag. Vanaf de Contrareformatie vond men naaktheid in religieuze kunst ongepast. Eveneens werd het door Michelangelo aangehangen en in zijn werk tot uiting gekomen neoplatonisme beschouwd als een vorm van ketterij. Gedurende zijn laatste tien levensjaren vervaardigde hij op het gebied van de beeldende kunst slechts nog tekeningen en twee onvoltooid gebleven beeldgroepen van de piëta. Deze kunstwerken en citaten uit zijn dichtkunst getuigen duidelijk dat ook de religieuze en artistieke percepties van Michelangelo waren veranderd. Deze breuk is bijzonder duidelijk waarneembaar in zijn laatste beeldhouwwerk, de Piëta Rondanini. Jezus en Maria zijn weergegeven als broze, kwetsbare gestalten in plaats van de heroïsche figuren. In tegenstelling tot zijn meeste beeldhouwwerken is er sprake van devotie en niet van sensualiteit. Aan de Piëta Rondanini had hij tot enkele dagen voor zijn dood gewerkt. Waarschijnlijk was het voor zijn eigen graf bedoeld. Na zijn dood in Rome werd de kunstenaar begraven in de Santa Croce te Florence.
Piëta
1499-1500, marmer, 174 x 69 cm., Sint-Pieter in Rome
Op drieëntwintigjarige leeftijd kreeg Michelangelo de opdracht een piëta te vervaardigen voor de Franse kardinaal Jean Bilhères de Lagraulas. De piëta, één van zijn vroegste Romeinse werken, was bestemd voor de graftombe van de opdrachtgever. Volgens het bewaard gebleven contract, afgesloten op 27 augustus 1498, moest de geklede en levensgrote maagd de gestorven Christus in haar armen houden.
Vanaf de veertiende eeuw werd Maria regelmatig afgebeeld met de dode Christus op haar schoot of aan haar voeten. In Italië kwam dit in het noorden van Europa populaire thema sporadisch voor in de schilderkunst, maar niet in de beeldhouwkunst. Het geschonden lichaam van Christus en het lijden van zijn moeder werd ook in de Italiaanse versies expressief weergegeven. Michelangelo heeft gruwelijke details en extravert lijden echter achterwege gelaten in zijn piëta.

Piëta in de Sint-Pieterte Rome
De compositie is bijzonder harmonisch. De rechtop zittende Maria en de bijna dwars over haar schoot liggende Christus vormen een gesloten groep. Michelangelo is daarin geslaagd door beide lichamen te verbinden met Maria’s wijdvallende gewaad. De plooienval geeft daardoor ook uiting aan hun geestelijke verbintenis.
Veel kritiek is geuit op het jeugdige uiterlijk van Maria. Michelangelo heeft zich daarop verweerd door te stellen dat haar maagdelijkheid en eeuwige reinheid alleen op deze wijze in beeld kan worden gebracht. Op de band die diagonaal over het bovenlichaam van Maria loopt staat geschreven dat Michelangelo Buonarroti uit Florence de beeldengroep heeft vervaardigd.
De piëta is grondig gerestaureerd na de zware beschadiging door een aanslag in 1972. Sindsdien staat het achter gepantserd glas op de locatie waar het vanaf 1749 in de Sint-Pieter staat.
|